Dit bord hangt op ons hoofdkantoor aan de wand. Een herinnering aan lang vervlogen tijden, rond 1750. Overigens niet altijd een vroeger waarin het beter was dan nu. Ook niet als het aankomt op de zekerheid van een zgn ‘bosboekje’. In ons vroegste verleden was de hoogte van de uitkering namelijk afhankelijk van het aanwezige kapitaal. De wet van de grote getallen werkt natuurlijk niet als een begrafenisbos slechts 600 leden mag hebben.
In 1736 bijvoorbeeld varieerde de uitkering tussen de 30 en 65 gulden, geheel afhankelijk van hoe de schatkist er voor stond. In de jaren daarna werd de uitkering in stapjes steeds hoger totdat in 1753 per bosboekje 100,= gulden werd uitgekeerd.
Een grote dysenterie epidemie teisterde Nederland in 1779. Gelukkig de laatste. Door grote sterfte onder onze leden-verzekerden raakte de kas leeg moesten leden wekelijks één 1 stuiver extra betalen. Ook de gemeente Haarlem sprong bij met een lening.
Ook nu hebben wij in ons land te maken met meer sterfte dan gebruikelijk door de huidige pandemie. Gelukkig zijn verzekeringsmaatschappijen nu beter in staat om klappen op te vangen. Ook wij hebben meer dan voldoende in kas.
Ondanks dat komt het ook nu weer voor dat in de polisvoorwaarden staat dat ‘als de kas leeg raakt’ de leden extra contributie moeten betalen. Of dat aan de waarde van de uitkering gesneden kan worden.
Niet bij ons hoor, afspraak is afspraak. Wij veranderen de regels van het spel onderweg niet. Al onze verzekerden weten precies waar ze aan toe zijn. Welk kapitaal we uitkeren. Hoe hoog de premie is en hoe lang die betaald moet worden. Het kan alleen maar beter worden door onze mooie winstdelingsregeling.